Pinkstervuur

‘Maar verlos ons van het kwade.’ Deze laatste bede van het Onze Vader is actueler dan ooit. Immers het samenlevingsoptimisme van de jaren ’60 van vorige eeuw is omgeslagen in een huidig maatschappelijk pessimisme. Samen met de neergang van dit optimisme groeide in de literatuur en in de filosofie de aandacht voor het kwaad. In het gebed van christenen is de aandacht voor het kwaad steeds aanwezig gebleven. Maar vooral de hoop op verlossing is meer dan ooit aan de orde van de dag. In de reeks ‘Pinkstervuur’ willen we dit thema stap voor stap verkennen.

Onze Vader
broedermoord
diepe geloofsovertuiging
machtsmisbruik
zien oordelen handelen
individualisering
transformeren

Onze Vader

Christenen bidden al meer dan 2000 jaar het Onze Vader. Dit gebruik gaat rechtstreeks terug op Jezus zelf. Zo lezen we bij de evangelist Matteüs, tijdens de Bergrede van Jezus: ‘Wanneer gij bidt, gedraagt u dan niet als de schijnheiligen, die graag in de synagogen en op de hoeken van de straten staan te bidden om op te vallen bij de mensen; voorwaar Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen! Maar als gij bidt, ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur achter u en bidt tot uw Vader die in het verborgene is en uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. Als gij bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen, want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden. Volgt hun voorbeeld dus niet na, want voordat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt. Gij moet daarom zo bidden:

Onze Vader die in de hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd;
Uw Rijk kome,
Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren.
En leid ons niet in bekoring,
maar behoed ons voor het kwaad.  (Mt 6,5-13)

Dit gebed bidden wij tijdens de liturgie in de kerk, maar ook op zoveel andere momenten als wij als christenen samen zijn: aan tafel, aan het begin van een vergadering, op het kerkhof. Het is een gebed dat ons heel dierbaar is. Ook die laatste zin van het Onze Vader bidden we al meer dan 2000 jaar: ‘Maar verlos ons van het kwade.’

Deze laatste bede sluit ook nauw aan bij de Psalmen, waarin God in heel mooie beeldtaal gevraagd wordt om ons te beschermen tegen het kwaad dat ons van buitenaf bedreigt, zoals bijvoorbeeld in psalm 91:

Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont 
en overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende,
mijn God, op U vertrouw ik.’

Hij bevrijdt je uit het net van de vogelvanger
en redt je van de dodelijke pest,
hij zal je beschermen met zijn vleugels,
onder zijn wieken vind je een toevlucht,
zijn trouw is een veilig schild.

De verschrikking van de nacht hoef je niet te vrezen,
ook de pijl niet die overdag op je afvliegt,
noch de pest die rondwaart in het donker,
noch de plaag die toeslaat midden op de dag.

Al vallen er duizend aan je linkerzijde
en tienduizend aan je rechterhand,
jou zal niets overkomen.
Open je ogen en zie
hoe wie kwaad doen worden gestraft.

Op het eerste gezicht lijkt de vaststelling dat christenen al 2000 jaar het Onzevader bidden heel banaal. Maar dat is niet zo. Het duidt er vooral op hoe diep het Onzevader in het DNA van christenen zit. De tweede vaststelling ‘zo lang de mens bestaat, gebeurt er kwaad in de wereld’ lijkt al even banaal. Maar het duidt erop dat het kwaad diep in het DNA van de mens is ingeschreven.

Broedermoord

Zo lang de mens bestaat, gebeurt er kwaad in de wereld. Eén van de eerste verhalen in de Bijbel gaat over het kwaad: de broedermoord van Kaïn op zijn broer Abel.

“God verjoeg dus de mens uit de tuin, en aan de oostkant van de tuin van Eden plaatste Hij de cherubs en de vlam van het wentelend zwaard, om de weg naar de boom van het leven te bewaken. De mens had gemeenschap met zijn vrouw Eva; zij werd zwanger en bracht Kain ter wereld, en zij sprak: `Door Jahwe’s gunst heb ik een mannelijk kind voortgebracht.’ Vervolgens baarde zij Abel, zijn broer. Abel werd schaapherder en Kain landbouwer. Na verloop van tijd bracht Kain een offer aan Jahwe van de vrucht en van de grond. Ook Abel bracht een offer, de eerstgeborenen van zijn beste schapen. Jahwe zag genadig neer op Abel en zijn offer, maar op Kain en zijn offer sloeg Hij geen acht. Een wilde woede greep Kain aan, en zijn gezicht werd grimmig. Nu zei Jahwe tot Kain: `Waarom zijt gij woedend en waarom staat uw gezicht zo grimmig? Als gij het goede doet, is er opgewektheid; maar doet gij het goede niet, dan loert de zonde als belager aan uw deur, begerig u te grijpen. Zult gij hem meester kunnen blijven?’ Daarop zei Kain tot zijn broer Abel: `Laten we gaan wandelen.’ En toen zij buiten waren, viel Kain zijn broer aan en vermoordde hem.” (Genesis 3,24 – 4,8)

Doorheen de mensengeschiedenis heeft die broedermoord zich oneindig veel keer herhaald. We kunnen geen enkele tijdsperiode in de geschiedenis aanduiden die niet getekend is geworden met geweld, oorlog, moord, doodslag … Als we naar de voorbije 20ste eeuw kijken en de huidige 21ste eeuw, dan staan deze twee eeuwen bol van broedermoorden. Broedermoorden omdat elke medemens ‘een broeder en zuster’ is, daar God ons aller hemelse Vader is.

Zo was de 20ste eeuw één van de bloeddorstigste eeuwen van de mensengeschiedenis: met zijn kolonialisme, met de eerste wereldoorlog en zijn chemische oorlogsvoering, met de tweede wereldoorlog, met het antisemitisme en de Holocaust op de Joden, met het bloedige staatsterreur in het Rusland van Stalin en in het China van Mao, maar ook met de dictaturen in Latijns-America …

Maar ook in de 21ste eeuw is oorlog niet van weggeweest met de lange aaneengeschakelde oorlog in het Midden-Oosten. Het begon met de oorlog in Afghanistan op 7 oktober 2001. Onder de naam Enduring Freedom vielen de legers van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Australië, Frankrijk en de Noordelijke Alliantie de Taliban in Afghanistan aan. De Irakoorlog in 2003 onder leiding van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk verdreef de zogenoemde Coalition of the Willing het bewind van Saddam Hoessein … De Arabische Lente ontwikkelde zich in 2011 tot een burgeroorlog in Syrië. Een conflict dat 10 jaar later nog steeds niet is opgelost, waarbij 6,3 miljoen Syriërs naar het buitenland deed vluchten. In Syrië zelf heeft vier op vijf kinderen dringen nood aan humanitaire hulp.

In eigen land werden we op 22 maart 2016 opgeschikt door de aanslagen op Brussels Airport in Zaventem en op het metrostation Maalbeek in Brussel, waarbij er 32 doden vielen en ruim 350 mensen gewond geraakten. Het maakt ons stil. Het doet ons bidden. Immers wanneer we naar de mensengeschiedenis kijken tot op heden, dan hebben wij ook nu nog altijd nood aan die bede uit het Onze Vader: ‘Maar verlos ons van het kwade.’

Diepe geloofsovertuiging

Mei ’68 – als symbolische datum – ligt nu meer dan 50 jaar achter ons. Het dominante tijdsgevoel was: met deze generatie zullen we definitief het kwaad achter ons laten. Dit werd prachtig samengevat in de slogan: ‘Make love, not war!’ Het was ook het hoogtepunt van de protesten tegen de oorlog in Vietnam. Zo vond op 21 oktober 1967 één van de grootste anti-oorlog betogingen plaats toen 100.000 betogers samenkwamen aan het Lincoln Memorial in Washington. En Martin Luther King de oorlog afkeurde op morele gronden. Ook al waren de VS militair gezien in Vietnam aan de winnende hand, ze hebben zich uit Vietnam moeten terugtrekken omdat er geen binnenlandse steun meer was voor deze oorlog.

Waarom geloofde de generatie van ’68 rotsvast dat het kwaad uit de wereld zou verdwijnen? Waarschijnlijk omdat men uitging van een welbepaalde opvatting over de mens. Namelijk: “Een mens is intrinsiek enkel goedheid. Als mensen toch verkeerde dingen doen, dan komt dit doordat mensen van zichzelf (en dus van de eigen goedheid) vervreemd zijn door kwaadaardige structuren. Wanneer we die kwaadaardige structuren kunnen opheffen, dan komt automatisch de menselijk goedheid tot bloei. Kortom: goede mensen tegenover zondige structuren.” Als bijvoorbeeld een jongere een geweldmisdrijf deed (iemand hardhandig beroven), dan was dit niet omdat hij slecht was, maar omdat hij in een achtergestelde kansarme buurt leefde. Vandaag is deze denkwijze niet langer meer algemeen aanvaard.

Daarenboven kunnen we die foute structuren veranderen – zo werd dit toch in de jaren ’60 geclaimd – door de toegenomen kennis en wetenschap. Want door grote structurele probleem in deelproblemen op te splitsen, kunnen die deelproblemen door experten ter zake opgelost worden.

Bijvoorbeeld: Islamitische terrorisme heeft onder meer te maken met onwetendheid over en letterlijke lezing van de Koran, haatpredikers, maatschappelijk achterstelling, werkloosheid, slechte huisvesting, ronselaars en netwerken, radicalisering via het internet … Als we oplossingen zoeken op al deze deelterreinen, dan is ten slotte ook het probleem van het terrorisme van de baan. Maar misschien is dit wel een ijdele hoop.

Dat kwaad vooral structureel is, werd treffend verwoord door de joodse filosofe Hannah Arendt, met haar term: ‘de banaliteit van het kwaad’. Hannah Arendt formuleerde deze term naar aanleiding van het proces in 1961 in Jeruzalem tegen de SS-functionaris (Otto) Adolf Eichmann. De Israëlische geheimen diensten hadden Adolf Eichmann in Argentinië ontvoerd en overgebracht naar Israël om hem te berechten. Adolf Eichman bleek op het proces niet een of ander gruwelijk monster te zijn, maar eerder een onbetekenend tweederangs persoon, die heel nauwgezet zijn plicht deed, in een groter bureaucratisch geheel van het nazisme en zo de Holocaust mede mogelijk maakte.

Het kwaad (de Jodenmoord) krijgt een banaal karakter. Het kwaad wordt herleid tot duizenden ijverige ambtenaren die heel gewillig en nauwgezet hun deeltaakje uitvoeren. Vanaf dat moment heeft het kwaad nog nauwelijks dieperliggende drijfveren, zoals hartsgrondige intense haat en virulent antisemitisme.

Volgens deze analyse zit het kwaad op de eerste plaats in de structuur van het Naziregime en niet in het hart van de individuele mens. Het totalitaire regime was de eerste verantwoordelijke, niet de individuele Duitse burger. Toen Hannah Arendt deze analyse maakte had ze nog geen toegang en kennis van de geschriften van Eichmann, die diepgaand haatdragend en racistisch bleken te zijn. Achteraf gezien deed Eichmann zijn taak niet enkel als een nauwgezet ambtenaartje, maar vooral vanuit een heel diepe levensovertuiging.

Machtsmisbruik

‘Goede mensen tegenover zondige structuren’: deze basisopvatting over het kwaad werd in de jaren ’60 toegepast op de verschillende grote sectoren van het leven, met name: de economie, de cultuur, de politiek.

De gevestigde politieke partijen werd verweten dat ze machtspartijen waren geworden, waarbij het enkel te doen was om de macht omwille van de macht. Daar tegenover werd de basisdemocratie van burgers of de zogenaamde burgerdemocratie geplaatst. Want de intenties van de afzonderlijke burger waren politiek zuiver en goed.  De man in de straat had het bij het goede einde, maar de gevestigde politiek maakte er een zootje van. De kloof tussen burger en politiek was geboren. Terwijl er altijd een zeker  spanningsveld zal zijn tussen de burger die zijn individueel welzijn nastreeft en de politiek die over het algemeen welzijn gaat.

Bij de beoordeling van de economie vertrok men in de jaren ’60 vanuit de marxistische analyse dat de arbeider – door de kapitalistische economie – van zijn arbeid vervreemd was. Achterliggend aan dit idee van ‘vervreemding’ lag enerzijds het ideaalbeeld van ‘de ambachtsman’ die zelf autonoom zijn arbeid en het hele productieproces van a tot z beheerste. En anderzijds het ideaalbeeld van de Middeleeuwse gilden waarin voor iedereen gezorgd werd. Door de revolutie en de onteigening van het productie-apparaat konden de winsten uit arbeid onder de arbeiders verdeeld worden en konden de arbeiders terug in hun waardigheid en in hun natuurlijke spontane solidariteit hersteld worden. Verander de economische structuur en vervolgens zullen mensen automatisch solidair met elkaar zijn. Alsof het individueel winstbejag niet zou bestaan.

Voor Wereldoorlog II was de culturele autoriteit en vooral morele autoriteit in Vlaanderen zondermeer de katholieke kerk. Als morele machtsstructuur werd de kerk vanaf de jaren ’60 in de media meer en meer geduid als een ‘foute’ structuur, die de individuele ontplooiing van de mens in de weg staat, in het bijzonder als het over de seksuele moraal gaat. De redenering die hierbij gemaakt wordt, is de volgende: “De menselijke seksualiteit is louter goed. Maar de beleving van die seksualiteit in zijn vele vormen (hetero/homo/bi/trans – gehuwd/ongehuwd/one-night-stand) wordt gefnuikt en scheefgetrokken door een enge katholieke moraal. Bevrijding van die enge katholieke moraal betekende automatisch het ongeremd openbloeien van de menselijke seksualiteit in al zijn schoonheid. Daartoe diende jongeren ook alle experimenteerruimte te krijgen.”

Deze zienswijze op seksualiteit is nog steeds zeer dominant in onze samenleving aanwezig, maar komt zeer recent op de helling te staan door de MeToo-beweging. De hashtag #metoo kreeg grote populariteit nadat Hollywood-producent Harvey Weinstein van seksuele intimidatie was beticht door verschillende vrouwen. Het ‘onderdrukkende’ op seksueel vlak wordt in de MeToo-beweging niet langer meer gekoppeld aan de (onderdrukkende kerkelijke) moraal. Immers de morele structuur die de kerk bood aan de samenleving is geheel verdwenen. De focus komt nu te liggen op de individuele machtsongelijkheid en onderdrukkende machtsmisbruik die leiden tot seksueel grensoverschrijdend gedrag. Hier zien we een verschuiving gebeuren in de opvatting van het kwaad. Het kwaad zit niet langer meer in een enge katholieke moraal die van bovenaf wordt opgelegd. Maar in het individu dat zijn macht misbruikt.

De opvatting ‘verander de structuren en het goede komt automatisch in de mens naar boven’ wordt in de huidige cultuur en in de MeToo-beweging niet langer meer aanvaard. Het kwaad zit in de individuele mens zelf én de structuren die door de (kwaadaardige) mens worden gemaakt.

Zien oordelen handelen

In de jaren ’60 van vorige eeuw vond er in de westerse cultuur een verschuiving in de opvatting over het kwaad in de wereld. De rode draad doorheen de dominante visie in de samenleving op het kwaad was: “Verander de (kwaadaardige) structuren en het  goede in de mens komt automatisch naar boven”.   

Geheel anders is de visie van Kardinaal Jozef Cardijn, stichter van de K.A.J., met zijn methode ‘zien-oordelen-handelen’. ‘Zien’ betekende heel nauwgezet kijken naar de omvang, de oorzaak en de gevolgen van een maatschappelijk probleem. Vervolgens moest men over hetgeen men vaststelde een ‘oordeel’ uitspreken, vanuit het licht van het evangelie. Ten slotte formuleerde men in het ‘handelen’ de te nemen verantwoordelijkheid op drie niveaus, namelijk: de individuele verantwoordelijkheid, de groepsverantwoordelijkheid en de politieke verantwoordelijkheid. Waar ben ik als individu verantwoordelijk voor dit probleem? Waar zijn wij als groep (bijvoorbeeld als Kerk of als vereniging) verantwoordelijk? Waar ligt de politieke verantwoordelijkheid van de gehele bredere samenleving om structurele oplossingen te bieden? Want het kwade, maar ook het streven naar het goede, kan zowel op het niveau van de structuren liggen, maar ook van de groep of van het individu. Het onderscheiden van deze drie niveaus is belangrijk nu de slinger in de samenleving van het ene uiterste (structurele benadering) naar het andere uiterste (het individu) dreigt door te slaan.

Vanaf de jaren ’60 werd de morele machtsstructuur van de Kerk meer en meer als hét probleem bij uitstek beschouwd voor de ontplooiing van de mens. Dit was het begin van het morele bankroet van de Kerk. Zeker na het verschijnen van de encycliek Humane Vitae in 1968. Maar ook zonder de encycliek Humane Vitae met het verbod op gebruik van voorbehoedmiddelen zou de Kerk haar moreel gezag verloren hebben, zoals dit ook de protestantse kerk in Nederland en Duitsland, de anglicaanse kerk in Engeland overkwam. Vooral het pedofilieschandaal in de Kerk heeft haar moreel gezag zeer ernstig aangetast.

Vandaag is de afwijzing van de kerkelijke morele standpunten in de samenleving iets milder geworden. Enerzijds omdat de Kerk zijn morele macht in praktijk verloren heeft en men geen oppositie en strijd meer moet voeren tegen de Kerk. Anderzijds omdat Paus Franciscus de barmhartigheid plaatst boven de morele veroordeling. Zonder dat de paus daarbij het morele oordeel en zienswijze loslaat.

De visie dat het kwaad hoofdzakelijk structureel is, heeft een belangrijke weerslag op de geloofsbeleving van christenen. Want als het kwaad vooral in de structuren zit en niet in de mens, dan wordt biechten overbodig. Om toch de zondigheid in de wereld ter sprake te brengen, werden biechtvieringen met algemene absolutie in de kerk populair, ten koste van het individueel biechten. Buiten de paasbiecht is biechten nagenoeg helemaal uit het Vlaamse kerkelijk leven verdwenen. Voor Paus Franciscus is de persoonlijke biecht nochtans de plaats bij uitstek waar men Gods barmhartigheid kan ervaren.

Als het veranderen van structuren automatische het goede in de mens naar boven brengt is ‘Gods redding en verlossing’ overbodig geworden. Het meest wezenlijke van de christelijke boodschap, namelijk dat Jezus Christus is mens geworden om ons te verlossen van het kwaad kwam onder druk te staan. De centrale boodschap van Kerstmis ‘heden is u een Redder geboren, Christus de Heer’ werd vervangen door de ‘warmste week’.

Individualisering

Vanaf de jaren ’60 lag maatschappelijk de nadruk op de bevrijding van onderdrukkende (morele) structuren in de samenleving. Hierbij kwam de individuele mens, als drager van het goede, steeds centraler te staan. De samenleving werd meer en meer ingericht op maat van het individu. Elke structuur die de individuele mens belemmerde in zijn vrijheid en ontplooiing moest worden afgeschaft. Zo werden er bijvoorbeeld in de ’60 degelijke zorginstellingen voor gehandicapten uitgebouwd. Vandaag spreekt men in de gehandicaptenzorg van persoonsgebonden budget, om zo zorg op maat van elke afzonderlijke gehandicapte te realiseren en om een maximale zelfstandigheid aan de gehandicapte toe te bedelen. Er vond een verschuiving plaats van de instelling met haar structuren naar het individu. Deze maatschappelijk tendens en verschuiving werd in de jaren ’90 aangeduid met de sociologische term: ‘Individualisering’. Een proces in de samenleving waarbij het individu op zichzelf komt te staan en losser staat tegenover traditionele sociale verbanden, zoals de buurt, parochie of vereniging. 

Natuurlijk plaatsen wij onszelf aan de kant van de goeden. Maar de ‘rotte appels’ moeten wel zo snel mogelijk uit de mand verwijderd worden, voordat ze de andere appels kunnen aantasten. Vandaar de eis van burgers aan de overheid om steeds strengere en langere gevangenisstraffen op te leggen. Alsook de eis om steeds uitgebreidere preventieve veiligheidsmaatregelen te nemen, ook al gaat dit ten koste van de privacy en het beroepsgeheim. Het biechtgeheim, dat absoluut is, ligt vanuit dit veiligheidsdenken maatschappelijk ter discussie. Natuurlijk worden de vermeende ‘rotte appels’ aan de digitale schandpaal genageld.De herontdekking in onze samenleving dat het kwaad in de mens zit, sluit nauw aan bij een observatie van de heilige Augustinus over zijn eigen leven en jeugd. Deze observaties schreef hij neer in zijn ‘Belijdenissen’. Op twee punten echter verschilt de heilige Augustinus in zijn opvattingen over het kwaad met onze tijd. Augustinus legt het kwaad bij zichzelf en niet bij de anderen. Augustinus heeft oog voor Gods barmhartigheid. Dit laatste vertrouwenwekkend gegeven ontbreekt in onze tijd.

Individualisering werd in de jaren ’90 nogal eenzijdig positief geduid als een proces van vrijmaking en bevrijding. Deze nieuwe verworven sociale vrijheid werd en wordt door het individu enorm op prijs gesteld. Hij moet zich minder uniform gedragen, kan meer zichzelf zijn en vooral hij kiest zelf. Het individu wordt auteur van zijn eigen leven. Gelijke kansen wordt daarbij belangrijker dan gelijkheid. Het individu wordt ook de bron van waarheid: ieders eigen waarheid weegt zwaarder door dan universele waarheid en wetenschappelijke waarheid. Met als eindresultaat dat ‘fake news’ de overhand haalt. Tenslotte wordt het individu de bron van zingeving. Eigen ingevulde rituelen wordt verkozen boven voorgeschreven rituelen van de kerk.

Vandaag heeft men vooral oog voor de negatieve kanten van individualisering: eenzaamheid, keuzestress en burn-out. Omdat het individu het allemaal zelf moet waarmaken wordt hij verpletterd onder de eigen verantwoordelijkheid, de eigen keuzes en creativiteit. Men mag dan misschien wel meer eigen auteur van het leven zijn, maar bij verkeerde keuzes moet men zelf op de blaren zitten. Gelijke kansen in het onderwijs betekent ook dat als men die kansen niet grijpt, men zelf verantwoordelijk is voor een slechtere job en een lager salaris. De hoge druk van ouders vanaf de lagere school op hun schoolgaande kinderen is daaraan niet vreemd.

Als waarheid ‘geïndividualiseerd’ wordt, dan verdwijnt het gezag van de wetenschap. Zo weigeren meer en meer ouders om hun kind te laten vaccineren, tegen elke medische logica in. En oud-president Donald Trump wees onprettig nieuws steeds af als ‘fake-news’.

De maatschappelijk verschuiving waarbij het individu in het centrum staat heeft ook tot gevolg dat het kwaad opnieuw helemaal bij de individuele mens komt te liggen. Het individu is niet enkel de auteur van het zijn leven, maar ook de auteur van het kwaad. Het kwaad zit in de mens. Dus is iedereen potentieel een terrorist. Daarom niet noodzakelijk een islamitische terrorist, maar misschien wel een terrorist op de weg. In de jaren ’60 stonden onderdrukkende kwaadaardige structuren tegenover intrinsieke goede mensen. Vijftig jaar later ziet deze tegenstelling geheel anders uit. Het goede individu wordt nu geplaatst tegenover de ‘rotte appels’ in de samenleving.

Natuurlijk plaatsen wij onszelf aan de kant van de goeden. Maar de ‘rotte appels’ moeten wel zo snel mogelijk uit de mand verwijderd worden, voordat ze de andere appels kunnen aantasten. Vandaar de eis van burgers aan de overheid om steeds strengere en langere gevangenisstraffen op te leggen. Alsook de eis om steeds uitgebreidere preventieve veiligheidsmaatregelen te nemen, ook al gaat dit ten koste van de privacy en het beroepsgeheim. Het biechtgeheim, dat absoluut is, ligt vanuit dit veiligheidsdenken maatschappelijk ter discussie. Natuurlijk worden de vermeende ‘rotte appels’ aan de digitale schandpaal genageld.De herontdekking in onze samenleving dat het kwaad in de mens zit, sluit nauw aan bij een observatie van de heilige Augustinus over zijn eigen leven en jeugd. Deze observaties schreef hij neer in zijn ‘Belijdenissen’. Op twee punten echter verschilt de heilige Augustinus in zijn opvattingen over het kwaad met onze tijd. Augustinus legt het kwaad bij zichzelf en niet bij de anderen. Augustinus heeft oog voor Gods barmhartigheid. Dit laatste vertrouwenwekkend gegeven ontbreekt in onze tijd.

Transformeren

In de autobiografie van de heilige Augustinus (354-430), de Belijdenissen, staat het verhaal over de diefstal van perenAls zestienjarige heeft Augustinus, samen met enkele vrienden, een perenboom van de buren geplunderd. Waarom deed hij dat? Niet omdat die peren bijzonder goed waren. De boomgaard van zijn vader had betere peren. Ook niet omdat hij honger had. De meeste peren wierpen zij weg. Augustinus kwam tot de ontdekking dat hij dit enkel en alleen deed om het plezier van het stelen. Het stelen van die peren (het kwaad) had geen doel. Het was het kwade doen omwille van het kwade.

De vrije wil van de mens is te zwak om enkel en alleen het goede te doen in het leven. Bijgevolg hebben we volgens Augustinus nood aan Gods barmhartigheid en redding. De Belijdenissen van Augustinus zijn steeds tweevoudig. Enerzijds belijdt hij zijn tekortschieten als goedbedoelende mens. Maar anderzijds belijdt hij ook Gods genade. Want door eigen inspanning alleen vindt de mens geen redding en is hij niet tot heiligheid in staat. Heiligheid heeft voor Augustinus weinig te maken met de mens die uit zichzelf goed is. Daarvoor faalt de mens te vaak. Heiligheid heeft op de eerste plaats te maken met Gods oneindige barmhartigheid. Heel de leer over de ‘erfzonde’ gaat hierover: de mens is ten diepste getekend door het kwaad, maar Gods reddende kracht is oneindig groter.

In zijn aanbevelingsbrief ‘Verheugt u en juicht’ (Exhortatie ‘Gaudete et exsultate’,  maart 2018) over de roeping tot heiligheid bekritiseert paus Franciscus ‘twee subtiele vijanden’ van de heiligheid. Vooreerst de steeds weer opduikende ketterij van ‘gnosticisme’, waarbij inwijding in speciale kennis tot redding zou leiden. Zo is er in onze samenleving een overspannen heilsverwachting ten aanzien van allerhande experten en specialisten. De tweede ketterij die steeds opnieuw opduikt is het ‘pelagiaanse’, waarbij eigen werken en inspanning ons zouden verlossen. Zowel bij de zelfverlossing van zondige structuren in de jaren ’60, als bij de zelfbepaling vandaag waarbij ieder uitmaakt voor zichzelf wat ‘goed’ is en wat ‘kwaad’, is Gods redding overbodig. 

De visie van de heilige Augustinus en de visie van Paus Franciscus over de roeping tot heiligheid sluiten aan bij wat de apostel Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen: “Ik ontdek in mij dus deze ‘wet’: als ik het goede wil doen, dringt het kwade zich aan mij op. Mijn innerlijk schept behagen in Gods wet, maar in mijn handelen ontwaar ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn rede, en mij gevankelijk uitlevert aan de heerschappij van de zonde over mijn daden. Rampzalige mens die ik ben! Wie zal mij redden van dit bestaan ten dode? God zij gedankt: door Jezus Christus onze Heer! “ (Rom. 7, 22-25a)

Wij hebben Gods genade en ontferming nodig, waarvoor we ook bidden aan het begin van elke eucharistie en in het Onze Vader. Het sluit ook aan bij het inzicht van Nabeel Qureshi, een Pakistaanse moslim, wonende in de VS, die zich bekeerde tot het christendom omdat hij alle redding verwacht van Jezus Christus. Het volgende citaat komt uit zijn boek: ‘Allah of Jezus?’

“Dit brengt me bij een observatie: het lijkt de mensheid maar niet te lukken om zichzelf te redden. In onze natuurlijke staat blijven we eeuwig vastzitten in destructieve vicieuze cirkels. Onze harten zijn gebroken, dus breken we de harten van anderen. Wij zijn mishandeld, dus mishandelen we zelf ook anderen. Onze families zijn verbrijzeld, dus laten we zelf ook verbrijzelde gezinnen achter. Als onze geliefden worden vermoord, slaan we uit wraak zelf ook aan het moorden. Zo zit de mensheid nu eenmaal in elkaar en wat we nodig hebben is een oplossing uit een andere wereld, iets radicaals om deze vicieuze cirkels te doorbreken. God moet ons redden, dat is wat we nodig hebben.

Het evangelie is die radicale oplossing. We leren daaruit dat God ons van buiten onze wereld zijn genade geeft, door ons te vergeven, wat onze zonden ook zijn. Zijn liefde is extravagant: ‘Dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, zal ons kunnen scheiden van de liefde van God’ (Rom. 8.38-39). Hij houdt van ons, en Hij heeft ons vergeven. Onze zielen kunnen tot rust komen bij onze liefdevolle Vader, in zijn allesomvattende genade.

Als we stilstaan bij de schande van onze zonde en de diepte van onze rebellie tegen God, is ons verstand te klein om die genade te kunnen doorzien. Wat zouden wij kunnen doen om zoveel genade te verdienen? Helemaal niets! Hij overlaadt ons met zijn oneindige liefde en absolute genade, ook al kunnen we die niet verdienen. Als wij zoveel vergeving hebben ontvangen, hoe kunnen we onze medemens zo’n klein vergrijp dan nog kwalijk nemen? Door zijn liefde worden onze harten vernieuwd. We koesteren geen wrok meer en we hongeren niet meer naar wraak. Omdat we vernieuwd zijn door het herstel waarmee Hij in ons begonnen is, verlangen we ernaar de mensen die mishandeld zijn te troosten en hen die gebroken zijn te helen. Hij transformeert onze harten, en dat drijft ons ertoe om de wereld om ons heen te transformeren.” (Nabeel Qureshi. Allah of Jezus? Uitg. Kok 2007. Blz. 45.)
Gelukkig mogen wij in het Onze Vader bidden: ‘Maar verlos ons van het kwade. Amen.’